Onrustig ijsbeer ik door de woonkamer. Nog maar een bidonnetje vullen. Heb ik wel voldoende gegeten en gedronken? Normaal ben ik voor een wedstrijd niet nerveus te slaan, maar vandaag gieren de zenuwen in alle hevigheid door mijn lichaam. Het is D-day. Dit is het moment. De belangrijkste wedstrijd van het jaar. Na alle 4e, 5e en 6e plaatsen in regionale wedstrijden, wordt het hoogtijd om dat laatste stapje te maken. Dit, voor mij, fantastische loopjaar moet bekroond worden met een podiumplek en een tijd onder de 18 minuten in de Kramp Run.
Vanaf de eerste startrij vertrek ik met 800 anderen aan ‘mijn’ 5 kilometer. Als ik vluchtig om mij heen kijk, hoef ik voor niet veel atleten écht bang te zijn. Een prachtig duel met maatje Tim te Brake, daar zit ik met smacht op te wachten. Al weken jutten we elkaar op in aanloop naar deze wedstrijd. Direct vanaf de start is het duwen en trekken. Ooh, wat heb ik daar een godsgruwelijke hekel aan. Door alles en iedereen laat ik me opzij duwen. Met een grote groep lopers slingeren we over het parcours. Ik heb het idee alsof ik in een kermisattractie zit. De adrenaline dendert door mijn lichaam. Tot aan de Svedexhal doorsta ik wonder boven wonder alle 'vechtpartijen' en heb ik nog steeds zicht op een prachtige klassering.
Maar dan ineens gaat het helemaal mis. Wanneer ik de Kramphal in loop zit ik plots in een nachtmerrie. Nog nooit ben ik zo wreed geconfronteerd met mijn slechtziendheid. ‘Blinde’ paniek maakt zich van mij meester. Mijn hart klopt in mijn keel. Een benauwd en beklemmend gevoel dat ik niet kan thuisbrengen. Als ik er nu, een aantal dagen later, aan terug denk, lopen de koude rillingen weer over mijn rug. De halve minuut die ik maximaal in de fabriekshal ben, voelt aan als tien minuten. Een plek waar eigenlijk niks kan gebeuren, bezorgt mij nu een angst die ik niet veel vaker heb gevoeld. Overal om me heen zijn lopers, ik hoor ze, ik voel ze, ik ruik ze maar ik zie ze niet. "Ik zie niks! Ik zie niks!" Is het enige wat ik boven de keiharde housemuziek uit kan schreeuwen. Aan alle kanten schieten atleten mij voorbij. Plots word ik bij mijn arm gepakt door, later blijkt, Matthijs Duenk. Iemand anders duwt zacht een hand tegen mijn rug. Met aanwijzingen van een aantal atleten en met fysieke ondersteuning van Matthijs word ik de hal uit geholpen. Ik voel me: hulpbehoevend, vernederd, kwetsbaar en zielig ,vooral zielig en dat is het ergste wat er is.
Als ik de hal uit kom heb ik het idee dat ik zojuist Knock-out ben geslagen. Podium ambities, een mooi duel met Tim, een tijd onder de 18 minuten, het kan me allemaal weinig meer schelen. Stoppen, weg van het parcours, weg bij al die vrolijke mensen, weg uit dit dorp, dat is wat ik wil. Gelukkig kan ik mezelf nog enigszins beheersen en vervolg ik, met een hartslag van ver boven de 200, mijn weg. Ook in het tweede deel van de eerste ronde is mijn oriëntatie ver te zoeken. Ik merk dat ik tril als een rietje en dat ik met ieder bochtje en stoepje de grootste moeite heb. Verschillende ‘concurrenten’ loodsen mij, met goedbedoelde aanwijzingen, over het parcours. Iets wat ik tegelijkertijd als bijzonder hartverwarmend en totaal vernederd ervaar. Als een zombie loop ik verder. Mijn benen willen dolgraag maar mijn hoofd houdt alles tegen. Terwijl ik normaal knok tot het bittere eind, vecht om elke positie en sprint om iedere seconden, ben ik nu totaal verstijfd. Als een slecht geprogrammeerde robot, zwerf ik door de Varsseveldse straten. Na 19.19 minuten bereik ik, als een uitgewrongen washand, de finish van een wedstrijd die als een bizarre roes aan mij voorbij is gegaan. Ik voel me letterlijk en figuurlijk doodziek. Nog nooit heb ik zo verschrikkelijk afgezien, zonder daadwerkelijk moe te worden.
Wanneer ik Matthijs na afloop tegenkom bedank ik hem uitvoerig. Als hij vervolgens ook nog zegt: "Ik heb in de tweede ronde nog gekeken of je bij me liep", heb ik alle moeite om mijn tranen te onderdrukken. Ondanks dat ik mentaal behoorlijk gebroken was, blijf ik een stugge boer en kan ik mijn emoties onder controle houden. Wat voor hem waarschijnlijk een kleine moeite was, ervaar ik als een heldendaad die ik niet snel zal vergeten.
Als ik de volgende ochtend wakker word, kan ik alles weer heel goed in perspectief plaatsen. Het relativeringsvermogen, waar ik het doorgaans zo van moet hebben, is weer helemaal terug. Die handicap heb ik en houd ik en daar is prima, zeg maar gerust fantastisch, mee te leven. Die enkele momenten dat ik er mee word geconfronteerd zijn op één hand te tellen. Ik kijk alweer met veel genoegen uit naar de volgende wedstrijd. Gewoon weer doen wat ik altijd heb gedaan, met volle teugen genieten van deze fantastische sport.