Bij flexloper.nl begeleiden we
momenteel lopers die zich voorbereiden op een verantwoorde wedstrijd op
misschien wel de twee lastigste afstanden: de 5 km en de hele marathon. Dat
klinkt misschien tegenstrijdig, maar ervaren MILA-lopers (midden-lange afstand)
herkennen zich hier waarschijnlijk in.
Beide afstanden vragen om een
specifieke aanpak. Bij de kortere afstanden ligt de nadruk vooral op
(basis)snelheid. Daarbij gebruik je met name de snelle spiervezels (type II):
die kunnen krachtig samentrekken, maar raken ook snel vermoeid. Bij lange
afstanden spelen juist de langzame spiervezels (type I) een grote rol. Die
leveren minder explosieve kracht, maar zijn uitstekend geschikt voor langdurige
inspanning. Wat je van nature bent, heb je van moeder natuur meegekregen. Dat
betekent echter niet dat je je minder sterke aanleg niet kunt verbeteren met
gerichte training.
De trainingsopbouw voor een
specifieke wedstrijd, vinden onze lopers meestal niet logisch. Er wordt nauwelijks
op de gewenste wedstrijdsnelheid getraind. Ongeveer driekwart van de trainingen
gaat (veel) te langzaam en het andere kwart (veel) te hard. Dit doen we om de
verschillende energiesystemen van het lichaam “aan het werk te zetten”. Onze
voorbereiding zijn niet alleen de looptrainingen, maar ook kennisoverdracht van
theoretische achtergronden (bv. inzet beschikbare energiesystemen). Een veel
gehoorde opmerking is; via zo’n schema zal ik mijn streeftijd nooit halen. Als
je op de wedstrijddag fit wilt zijn, hoef je niet altijd hard te trainen, maar
wel slim!
De schema’s zijn zo samengesteld dat op de wedstrijddag de afzonderlijk getrainde onderdelen samenkomen. Veel duurvermogen, gecombineerd met voldoende snelheid, zorgt als het goed is, voor de vorm van de dag. Vraag de trainer om advies voor de indeling van de wedstrijd. Wij hanteren daarbij de negatieve split. Daarover gaat de volgende column.
Henk Mengers
